Beluister en zing mee

Psalm 27

Speel de melodie.

Psalm 27 - Ritmisch langzaam
Andere audio
Ritmisch
Iso-ritmisch
Audiobestanden en bladmuziek

Ondersteunende bestanden

Download ondersteunende audio en bladmuziek.

Psalm 27

  • Psalmvergelijker

    Vergelijk de Klassiek Eigentijdse Psalmberijming met andere berijmingen of met de onberijmde psalmen:

    Eerste vergelijking
    Tweede vergelijking (optie)

Voor het vergelijken van hele psalmen in verschillende berijmingen adviseren wij je om de desktopversie van onze website te gebruiken.

Klassiek Eigentijdse Psalmberijming(KEP)

Ga naar vers

Berijming 1773

Ga naar vers

Ga naar vers

Klassiek Eigentijdse Psalmberijming (KEP)

  • 1.
    De Heere is de sterkte van mijn leven,
    Hij is mijn licht, mijn hulp, mijn heil, mijn kracht.
    Voor wie zou ik dan bang zijn of nog vrezen?
    Hij is de God Die mij verlossing bracht.
    Mijn tegenstanders zochten naar mijn dood,
    maar vielen zelf, omdat God redding bood.
    Al komt er strijd en oorlog om mij heen,
    ik vrees niet, ik vertrouw op God alleen.
  • 2.
    Eén ding vroeg ik met nadruk aan de Heere,
    daar zoek ik naar, dit is wat ik verlang:
    om altijd in Gods woning te verkeren,
    om dicht bij Hem te zijn, mijn leven lang.
    Zijn lieflijkheid die Hij daar openbaart,
    is al mijn aandacht en mijn zoeken waard;
    want in Zijn hut reikt Hij bescherming aan,
    zodat het onheil mij voorbij zal gaan.
  • 3.
    Diep in Zijn tent ben ik bij God geborgen,
    hoog op een rots zet Hij mij veilig neer.
    Mijn blik omhoog ziet verder dan de zorgen,
    geen vijand om mij heen benauwt mij meer.
    Met luid gejuich zal ik naar binnen gaan,
    daar in Zijn tent bied ik mijn offers aan.
    Zijn lof verzwijg ik in mijn psalmen niet,
    ik zal de Heere prijzen in mijn lied.
  • 4.
    Hoor naar mijn stem, geef antwoord op mijn roepen,
    wees mij genadig, ga mij niet voorbij.
    U gaf bevel Uw aangezicht te zoeken,
    ik zoek U, God, verberg U niet voor mij.
    Spaar in Uw toorn het leven van Uw knecht,
    U hebt nog nooit Uw hulp aan mij ontzegd.
    Laat mij niet los, o God, verlaat mij niet.
    U bent de God Die mij verlossing biedt.
  • 5.
    Al hebben zelfs mijn ouders mij verlaten,
    de Heere neemt mij in genade aan.
    Leer mij Uw weg en leid, om wie mij haten,
    mij op een weg die veilig is te gaan.
    Mijn tegenstanders loeren op mijn dood,
    verlos mijn leven, red mij uit de nood.
    Ik word bedreigd door leugen en bedrog
    en door geweld, o Heere, red mij toch!
  • 6.
    Als ik de Heere God niet kon vertrouwen,
    als ik Zijn goedheid hier op aarde mis,
    waarop zou ik mijn leven dan nog bouwen?
    Dan is hier alles niets dan duisternis.
    Wacht op de Heere, hoop op wat Hij doet,
    wees sterk, houd aan als u weer verder moet.
    De Heere geeft u nieuwe levenskracht,
    als u op Hem vertrouwt en Hem verwacht.

Berijming 1773

  • 1.
    God is mijn licht, mijn heil; wien zou ik vrezen?
    Hij is de Heer', die hulp verschaft in nood;
    Mijn levenskracht; 'k heb niet vervaard te wezen:
    Hij is 't, die mij beveiligt voor den dood.
    Wanneer de macht der bozen sloeg aan 't woên,
    En aanrukt', om zich met mijn vlees te voên.
    Stiet zelf dit rot, dat mij benauwt en haat,
    Den voet, en viel; omdat het God verlaat.
  • 2.
    Al zie ik zelfs een leger mij omringen,
    Nog vrees ik niet; 'k verlaat mij op den Heer';
    Al wil men mij door enen oorlog dwingen,
    'k Leg mij gerust, hierop vertrouwend, neer.
    Deez' éne zaak heb ik begeerd van God;
    Daar zoek ik naar; dit zij mijn zalig lot:
    Dat ik, zo lang mij 't levenslicht bescheen,
    In 's Heeren huis mocht wonen hier beneên.
  • 3.
    Och, mocht ik, in die heilige gebouwen,
    De vrije gunst, die eeuwig Hem bewoog,
    Zijn lieflijkheid en schonen dienst aanschouwen!
    Hier weidt mijn ziel met een verwond'rend oog.
    Want God zal mij, opdat Hij mij beschutt',
    In ramp en nood versteken in Zijn hut;
    Mij bergen in't verborgen van Zijn tent,
    en op een rots verhogen uit d' ellend'.
  • 4.
    God zal mijn hoofd nu boven 's vijands benden
    Verhogen; dies wil ik, met blij geschal,
    In Zijne tent het offer opwaarts zenden,
    Daar psalm en lied Zijn lof vermelden zal.
    Verhoor, o Heer', toon mij een gunstig oog;
    Ik zal mijn stem verheffen naar omhoog;
    Verhoor mij toch, bewijs mij Uw genâ,
    En antwoord mij, die voor Uw aanzicht sta.
  • 5.
    Mijn hart zegt mij, o Heer' ,van Uwentwegen:
    "Zoek door gebeên met ernst Mijn aangezicht",
    Dat wil, dat zal ik doen; ik zoek den zegen
    Alleen bij U, o bron, van troost en licht!
    Verberg toch niet Uw oog van mij, o Heer'!
    Ik ben Uw knecht, zie niet in toorne neer.
    Gij waart mijn hulp in al mijn zielsverdriet.
    O God mijns heils, begeef, verlaat mij niet.
  • 6.
    Want, schoon ik zelfs van vader en van moeder
    Verlaten ben, de Heer' is goed en groot;
    Hij is en blijft mijn Vader en Behoeder.
    Leer mij, o God, Uw weg in allen nood;
    Bestuur, om mijns verspieders wil, mijn voet
    Op 't effen pad; dat 's vijands euvelmoed
    Mij nimmer treff'; vervoerd door list en dwang,
    Getuigt men vals tot mijnen ondergang.
  • 7.
    Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven
    Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou,
    Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed, gebleven?
    Ik was vergaan in al mijn smart en rouw.
    Wacht op den Heer', godvruchte schaar, houd moed:
    Hij is getrouw, de bron van alle goed;
    Zo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer;
    Wacht dan, ja wacht, verlaat u op den Heer'.

Berijming 1773

  • 1.
    God is mijn licht, mijn heil; wien zou ik vrezen?
    Hij is de Heer', die hulp verschaft in nood;
    Mijn levenskracht; 'k heb niet vervaard te wezen:
    Hij is 't, die mij beveiligt voor den dood.
    Wanneer de macht der bozen sloeg aan 't woên,
    En aanrukt', om zich met mijn vlees te voên.
    Stiet zelf dit rot, dat mij benauwt en haat,
    Den voet, en viel; omdat het God verlaat.
  • 2.
    Al zie ik zelfs een leger mij omringen,
    Nog vrees ik niet; 'k verlaat mij op den Heer';
    Al wil men mij door enen oorlog dwingen,
    'k Leg mij gerust, hierop vertrouwend, neer.
    Deez' éne zaak heb ik begeerd van God;
    Daar zoek ik naar; dit zij mijn zalig lot:
    Dat ik, zo lang mij 't levenslicht bescheen,
    In 's Heeren huis mocht wonen hier beneên.
  • 3.
    Och, mocht ik, in die heilige gebouwen,
    De vrije gunst, die eeuwig Hem bewoog,
    Zijn lieflijkheid en schonen dienst aanschouwen!
    Hier weidt mijn ziel met een verwond'rend oog.
    Want God zal mij, opdat Hij mij beschutt',
    In ramp en nood versteken in Zijn hut;
    Mij bergen in't verborgen van Zijn tent,
    en op een rots verhogen uit d' ellend'.
  • 4.
    God zal mijn hoofd nu boven 's vijands benden
    Verhogen; dies wil ik, met blij geschal,
    In Zijne tent het offer opwaarts zenden,
    Daar psalm en lied Zijn lof vermelden zal.
    Verhoor, o Heer', toon mij een gunstig oog;
    Ik zal mijn stem verheffen naar omhoog;
    Verhoor mij toch, bewijs mij Uw genâ,
    En antwoord mij, die voor Uw aanzicht sta.
  • 5.
    Mijn hart zegt mij, o Heer' ,van Uwentwegen:
    "Zoek door gebeên met ernst Mijn aangezicht",
    Dat wil, dat zal ik doen; ik zoek den zegen
    Alleen bij U, o bron, van troost en licht!
    Verberg toch niet Uw oog van mij, o Heer'!
    Ik ben Uw knecht, zie niet in toorne neer.
    Gij waart mijn hulp in al mijn zielsverdriet.
    O God mijns heils, begeef, verlaat mij niet.
  • 6.
    Want, schoon ik zelfs van vader en van moeder
    Verlaten ben, de Heer' is goed en groot;
    Hij is en blijft mijn Vader en Behoeder.
    Leer mij, o God, Uw weg in allen nood;
    Bestuur, om mijns verspieders wil, mijn voet
    Op 't effen pad; dat 's vijands euvelmoed
    Mij nimmer treff'; vervoerd door list en dwang,
    Getuigt men vals tot mijnen ondergang.
  • 7.
    Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven
    Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou,
    Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed, gebleven?
    Ik was vergaan in al mijn smart en rouw.
    Wacht op den Heer', godvruchte schaar, houd moed:
    Hij is getrouw, de bron van alle goed;
    Zo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer;
    Wacht dan, ja wacht, verlaat u op den Heer'.

Psalm 27: 'Een lied vol heimwee'

David voelt zich eenzaam. Zijn vader en zijn moeder hebben hem verlaten en vervelende vijanden zitten hem op de hielen. Je zou er moedeloos van worden. Toch gaat het bij David anders. Vol vertrouwen wendt hij zich tot God en belijdt hij wie de Heere voor hem is. Hij wil zo graag schuilen bij de Heere, want bij Hem weet hij zich veilig en geborgen. David laat ook hier zien dat hij een man van gebed is. De Geest spoort hem aan om te bidden en daar geeft hij graag gehoor aan. David denkt aan wie de Heere in het verleden voor hem geweest is en vraagt of Hij dat opnieuw wil zijn. Hij vraagt ook of de Heere zijn Gids wil zijn en hem de weg in zijn leven wil wijzen. Hij begrijpt heel goed dat hij zonder geloof in God nergens zou zijn en komen. David neemt zichzelf krachtig onder handen en wijst zichzelf erop dat hij op de Heere moet wachten. Hij is ervan overtuigd dat de Heere hem zal geven wat nodig is.

Wat heerlijk om hier te lezen wie God voor ons wil zijn, ook als we het moeilijk hebben. Hij wil vertrouwen geven, ook al is onze levensweg zwaar. Laten we met David de weg van het gebed gaan en het van de Heere verwachten. God wil heil geven, ook aan ons. Daar heeft de Heiland Zijn leven voor over gehad, opdat wij met en voor de drie-enige Verbondsgod zullen leven. Dan ervaar je nu al en straks volkomen: de Heere is mijn licht en mijn heil!

Uitvoeringen Psalm 27

Psalm 27 - Zingen uit de Bron

Psalm 27 - Zingen uit de Bron

Thematische verdieping

Bijdragen

Laat een nieuwe generatie zingen

Met jouw financiële steun ontwikkelen we over een periode van meerdere jaren 150 psalmen in klassiek-eigentijdse taal en publiceren we geestelijke liederen waarin het Evangelie van Jezus Christus centraal staat.

Doneer