Beluister en zing mee

Psalm 19

Speel de melodie.

Psalm 19 - Ritmisch langzaam
Andere audio
Ritmisch
Iso-ritmisch
Audiobestanden en bladmuziek

Ondersteunende bestanden

Download ondersteunende audio en bladmuziek.

Psalm 19

  • Psalmvergelijker

    Vergelijk de Klassiek Eigentijdse Psalmberijming met andere berijmingen of met de onberijmde psalmen:

    Eerste vergelijking
    Tweede vergelijking (optie)

Voor het vergelijken van hele psalmen in verschillende berijmingen adviseren wij je om de desktopversie van onze website te gebruiken.

Klassiek Eigentijdse Psalmberijming(KEP)

Ga naar vers

Berijming 1773

Ga naar vers

Ga naar vers

Klassiek Eigentijdse Psalmberijming (KEP)

  • 1.
    De hoge hemel juicht,
    het firmament getuigt
    van God en van Zijn kracht.
    De dag spreekt tot de dag,
    vertelt van Gods gezag,
    zo doet ook elke nacht.
    Zij geven zonder stem
    de kennis door van Hem
    tot over alle grenzen.
    Zo gaat dit stille woord
    de hele wereld door,
    het spreekt tot alle mensen.
  • 2.
    God maakt een slaapvertrek;
    de hemel wordt een plek,
    een rustplaats voor de zon.
    Wat straalt en schittert hij,
    komt op, verheugd en blij,
    net als een bruidegom.
    De zon is als een held,
    die blij het pad op snelt,
    verheugd en zonder zorgen.
    Als hij zijn ronde maakt
    en gloedvol alles raakt,
    blijft niets voor hem verborgen.
  • 3.
    Gods wet, volmaakt en goed,
    bekeert de ziel en doet
    weer in Zijn wegen gaan.
    Zijn trouw getuigenis
    leert wie eenvoudig is,
    de ware wijsheid aan.
    Wat God beveelt en eist,
    rechtvaardig onderwijst,
    verblijdt het hart en leven.
    Al wat de Heere zegt,
    zal, zuiver en oprecht,
    het oog verlichting geven.
  • 4.
    De vrees voor God is puur,
    ontzag dat eeuwig duurt
    en nooit meer zal vergaan.
    Het oordeel uit Zijn mond
    is op het recht gegrond
    en geeft Zijn waarheid aan.
    Wie dat in handen houdt,
    begeert het meer dan goud,
    hoe zuiver ook en kostbaar.
    Gods Woord smaakt zoeter dan
    zelfs honing smaken kan.
    Iets zoeters is ondenkbaar.
  • 5.
    Uw knecht wordt door dit woord
    voortdurend aangespoord
    om in Uw weg te gaan.
    U geeft groot loon aan hem
    die luistert naar Uw stem
    en Uw spoor in zal slaan.
    Wie onderscheidt het kwaad
    van wat er wel goed gaat
    in dit gebroken leven?
    Maak mij van zonden vrij
    die, schuilend diep in mij,
    verborgen zijn gebleven.
  • 6.
    Houd trots ver weg van mij,
    maak mij van hoogmoed vrij,
    verlos mij van die dwang.
    Zijn grote zonden weg,
    pas dan leef ik oprecht
    voor U, mijn leven lang.
    Laat alles wat ik zeg
    en in mij overleg,
    tot eer van U zijn, Heere.
    U, die mijn leven kent
    en mijn Verlosser bent,
    mijn Rots, U wil ik eren!

Berijming 1773

  • 1.
    Het ruime hemelrond
    Vertelt, met blijden mond,
    Gods eer en heerlijkheid;
    De heldre lucht en 't zwerk
    Verkondigen Zijn werk,
    En prijzen Zijn beleid.
    Dus kan ons dag bij dag,
    Tot roem van Gods gezag,
    Zijn wonderen verhalen;
    Dus weet ons nacht bij nacht
    Zijn onbegrensde macht
    En wijsheid af te malen.
  • 2.
    Hoe goddelijk en schoon
    Luidt deze hemeltoon!
    Daar is geen spraak, of oord,
    Daar is geen volk bekend,
    Dat, zelfs tot 's werelds end,
    Der heem'len stem niet hoort.
    Hun evenredigheid
    Heeft zich zo wijd verspreid,
    Hun rede klinkt zo krachtig,
    Dat z' al, wat d' aard' bewoont,
    Het merk eens Scheppers toont,
    Zo gunstrijk als almachtig.
  • 3.
    God heeft voor 't grote licht,
    De zon, een tent gesticht,
    Van waar z' in 't blinkend kleed,
    En met een blij gelaat,
    Gelijk een bruigom gaat,
    Die uit zijn slaapzaal treedt.
    Z' is vrolijk, als een held,
    Die in 't bestemde veld
    Zijn vuur en vaart doet blijken;
    Zij heeft haar zwaai en spoor
    Den gansen hemel door;
    Niets kan haar gloed ontwijken.
  • 4.
    Des Heeren wet nochtans
    Verspreidt volmaakter glans,
    Dewijl zij 't hart bekeert.
    't Is Gods getuigenis,
    Dat eeuwig zeker is,
    En slechten wijsheid leert.
    Wat Gods bevel ons zegt,
    Vertoont ons 't heiligst recht,
    En kan geen kwaad gedogen.
    Zijn wil, die 't hart verheugt,
    Eist zuiverheid en deugd,
    Verlicht de duist're ogen.
  • 5.
    Des Heeren vrees is rein;
    Zij opent een fontein
    Van heil, dat nooit vergaat.
    Zijn dierb're leer verspreidt
    Een straal van billijkheid,
    Daar z' all' onwaarheid haat.
    Z' is 't mensdom meerder waard,
    Dan 't fijnste goud op aard';
    Niets kan haar glans verdoven;
    Zij streeft in heilzaam zoet,
    Tot streling van 't gemoed,
    Den honig ver te boven.
  • 6.
    Dus krijg ik van mijn plicht,
    O God een klaar bericht.
    Wat is 't vooruitzicht schoon!
    Hij, die op U vertrouwt,
    Uw wetten onderhoudt,
    Vindt daarin groten loon.
    Maar, Heer', wie is de man,
    Die op 't nauwkeurigst kan
    Zijn dwalingen doorgronden?
    O bron van 't hoogste goed,
    Was, reinig mijn gemoed
    Van mijn verborgen zonden.
  • 7.
    Weerhoud, o Heer', Uw knecht,
    Dat hij zijn hart niet hecht,
    Aan dwaze hovaardij.
    Heerst die in mij niet meer,
    Dan leef ik tot Uw eer,
    Van grote zonden vrij.
    Laat U mijn tong en mond,
    En 's harten diepsten grond,
    Toch welbehaaglijk wezen.
    O Heer', die mij verblijdt,
    Mijn rots en losser zijt,
    Dan heb ik niets te vrezen.

Berijming 1773

  • 1.
    Het ruime hemelrond
    Vertelt, met blijden mond,
    Gods eer en heerlijkheid;
    De heldre lucht en 't zwerk
    Verkondigen Zijn werk,
    En prijzen Zijn beleid.
    Dus kan ons dag bij dag,
    Tot roem van Gods gezag,
    Zijn wonderen verhalen;
    Dus weet ons nacht bij nacht
    Zijn onbegrensde macht
    En wijsheid af te malen.
  • 2.
    Hoe goddelijk en schoon
    Luidt deze hemeltoon!
    Daar is geen spraak, of oord,
    Daar is geen volk bekend,
    Dat, zelfs tot 's werelds end,
    Der heem'len stem niet hoort.
    Hun evenredigheid
    Heeft zich zo wijd verspreid,
    Hun rede klinkt zo krachtig,
    Dat z' al, wat d' aard' bewoont,
    Het merk eens Scheppers toont,
    Zo gunstrijk als almachtig.
  • 3.
    God heeft voor 't grote licht,
    De zon, een tent gesticht,
    Van waar z' in 't blinkend kleed,
    En met een blij gelaat,
    Gelijk een bruigom gaat,
    Die uit zijn slaapzaal treedt.
    Z' is vrolijk, als een held,
    Die in 't bestemde veld
    Zijn vuur en vaart doet blijken;
    Zij heeft haar zwaai en spoor
    Den gansen hemel door;
    Niets kan haar gloed ontwijken.
  • 4.
    Des Heeren wet nochtans
    Verspreidt volmaakter glans,
    Dewijl zij 't hart bekeert.
    't Is Gods getuigenis,
    Dat eeuwig zeker is,
    En slechten wijsheid leert.
    Wat Gods bevel ons zegt,
    Vertoont ons 't heiligst recht,
    En kan geen kwaad gedogen.
    Zijn wil, die 't hart verheugt,
    Eist zuiverheid en deugd,
    Verlicht de duist're ogen.
  • 5.
    Des Heeren vrees is rein;
    Zij opent een fontein
    Van heil, dat nooit vergaat.
    Zijn dierb're leer verspreidt
    Een straal van billijkheid,
    Daar z' all' onwaarheid haat.
    Z' is 't mensdom meerder waard,
    Dan 't fijnste goud op aard';
    Niets kan haar glans verdoven;
    Zij streeft in heilzaam zoet,
    Tot streling van 't gemoed,
    Den honig ver te boven.
  • 6.
    Dus krijg ik van mijn plicht,
    O God een klaar bericht.
    Wat is 't vooruitzicht schoon!
    Hij, die op U vertrouwt,
    Uw wetten onderhoudt,
    Vindt daarin groten loon.
    Maar, Heer', wie is de man,
    Die op 't nauwkeurigst kan
    Zijn dwalingen doorgronden?
    O bron van 't hoogste goed,
    Was, reinig mijn gemoed
    Van mijn verborgen zonden.
  • 7.
    Weerhoud, o Heer', Uw knecht,
    Dat hij zijn hart niet hecht,
    Aan dwaze hovaardij.
    Heerst die in mij niet meer,
    Dan leef ik tot Uw eer,
    Van grote zonden vrij.
    Laat U mijn tong en mond,
    En 's harten diepsten grond,
    Toch welbehaaglijk wezen.
    O Heer', die mij verblijdt,
    Mijn rots en losser zijt,
    Dan heb ik niets te vrezen.

Psalm 19: 'Een loflied op schepping en Schrift'

David heeft niet alleen gelet op wat er om hem heen op aarde gebeurde, maar ook op wat zich boven hem afspeelde. Hij keek geregeld omhoog en zag daar een prachtige wolkenhemel en de wonderlijke loop van de zon. Hij zag er iets van Gods heerlijkheid en majesteit in. Hij moest hierdoor zelfs aan een bruiloft denken. En dan opeens denkt hij ook aan de wet van God. Daar ziet hij dezelfde heerlijkheid van God van afstralen. Met de wet van God bedoelt David al het onderwijs dat God geeft. In de Tien Geboden en in alles wat God daarnaast heeft geopenbaard. Wat een geweldig effect heeft het als God Zijn onderwijs in je leven zegent. Het wekt en werkt de vreze des Heeren, de liefdevolle omgang met Hem en een leven dicht bij Hem.

Wat is het mooi als je in Gods schepping en in Zijn Woord Zijn heerlijkheid mag zien en als je hierdoor geraakt wordt. We kunnen niet genoeg met het Woord van God bezig zijn en met het op onze lippen nemen van dat Woord in ons lied. Wie er écht door geraakt en gezegend wordt, hoort straks bij de bruid van Christus. Die ziet de hemelse Bruidegom straks op zich afkomen!

Uitvoeringen Psalm 19

Psalm 19 - Zingen uit de Bron

Psalm 19 - Zingen uit de Bron

Thematische verdieping

Bijdragen

Laat een nieuwe generatie zingen

Met jouw financiële steun ontwikkelen we over een periode van meerdere jaren 150 psalmen in klassiek-eigentijdse taal en publiceren we geestelijke liederen waarin het Evangelie van Jezus Christus centraal staat.

Doneer