Beluister en zing mee

Psalm 22

Speel de melodie.

Psalm 22 - Ritmisch langzaam
Andere audio
Ritmisch
Iso-ritmisch
Audiobestanden en bladmuziek

Ondersteunende bestanden

Download ondersteunende audio en bladmuziek.

Psalm 22

  • Psalmvergelijker

    Vergelijk de Klassiek Eigentijdse Psalmberijming met andere berijmingen of met de onberijmde psalmen:

    Eerste vergelijking
    Tweede vergelijking (optie)

Voor het vergelijken van hele psalmen in verschillende berijmingen adviseren wij je om de desktopversie van onze website te gebruiken.

Klassiek Eigentijdse Psalmberijming(KEP)

Ga naar vers

Berijming 1773

Ga naar vers

Ga naar vers

Klassiek Eigentijdse Psalmberijming (KEP)

  • 1.
    Mijn God, mijn God, waarom verlaat U mij
    en gaat U aan mijn hulpgeroep voorbij?
    U bent ver weg, ik smeek U: ‘Maak mij vrij!’
    Tóch blijft U zwijgen.
    Al roep ik overdag om hulp te krijgen,
    U zwijgt bewust en laat mij eenzaam strijden.
    Al klaag ik ’s nachts, mijn God, er zijn geen tijden
    van hoop en rust.
  • 2.
    Maar toch, U bent de Heilige, Die troont
    op lofgezangen van Uw volk, U woont
    bij Israël, U hebt Uw trouw getoond
    in vroeger tijden.
    Ook onze vaders wilde U bevrijden
    op hun gebed, op U was hun vertrouwen.
    Zij riepen U, op Wie zij konden bouwen,
    en zijn gered.
  • 3.
    Maar ik ben slechts een worm, totaal veracht.
    Geen man, die weerbaar is en vol van kracht,
    maar een verworpene om wie men lacht,
    van wie ze zeggen:
    “Door deze zaak de Heere voor te leggen,
    denkt hij dat God hem redt uit al zijn lijden.
    Laat God, als Die hem liefheeft, hem bevrijden.”
    Scherp klinkt hun spot.
  • 4.
    Toen ik van U het levenslicht ontving
    en bij mijn moeder lag als zuigeling,
    gaf U vertrouwen en bevestiging
    dat U zou zorgen.
    Vanaf de moederschoot ben ik geborgen,
    mijn God, bij U; wil niet op afstand blijven.
    De nood is hoog, wie zal mijn angst verdrijven?
    Red mij dan nu!
  • 5.
    Geen mens geeft mij bescherming, zelfs niet één.
    Een kring van sterke stieren om mij heen
    brult als een leeuw, gericht op mij alleen;
    dreigt mij met stoten.
    O God, ik ben als water uitgegoten.
    Zoals een plas vervloeit, verdwijnt mijn leven.
    Ik ben ontwricht, mijn hart dat op moet geven,
    smelt weg als was.
  • 6.
    Zoals een potscherf, uitgedroogd en broos,
    zo voel ik mij, volkomen krachteloos.
    De hitte laat mijn ziel meedogenloos
    van dorst versmachten.
    Mijn tong kleeft vast, niets kan de pijn verzachten.
    De droogte brandt, U drukt mij in mijn noden
    neer in het stof, U schuift mij, als een dode,
    vér aan de kant.
  • 7.
    De valse honden springen op mij af.
    Een horde onverlaten ziet mijn graf
    al voor zich als een welverdiende straf;
    en zij doorboren
    mijn hand en voet. Ik ben totaal verloren,
    want al mijn beenderen - ik kan ze tellen.
    En zij, die kijken, lachen en mij kwellen,
    staan om mij heen.
  • 8.
    Mijn kleren worden onderling verdeeld.
    Om mijn gewaad wordt er geloot, gespeeld.
    O God, hoe weerzinwekkend is dit beeld,
    blijf niet meer wachten.
    Blijf niet ver weg, van U zijn al mijn krachten.
    Kom snel, verlos, laat toch geen zwaard mij raken.
    Bevrijd mij van de hond, de leeuwenkaken,
    de wilde os.
  • 9.
    Ja, Heere, U hebt mijn gebed verhoord.
    Ik richt aan al mijn broeders nu het woord,
    Uw grote naam en daden zeg ik voort.
    U wil ik prijzen,
    in de gemeente U mijn eer bewijzen.
    U die Hem vreest, verhoog en loof de Heere.
    Laat Jakobs nageslacht Zijn naam vereren,
    verheugd van geest.
  • 10.
    Toon diep ontzag en wees voor God bevreesd,
    heel Israël, Hij is zo goed geweest!
    Toen de verdrukte in zijn nood het meest,
    het zwaarst moest lijden,
    heeft God hem niet veracht in al zijn strijden.
    Hij zag hem aan, Hij heeft zich niet verborgen,
    maar hoorde toen hij riep in al de zorgen
    van zijn bestaan.
  • 11.
    Mijn lofzang is voor U, Die redding bood.
    Met heel Uw volk maak ik Uw daden groot.
    Ik zal bij hen, zoals beloofd in nood,
    mijn dank betuigen.
    Hier wordt de arme die voor God zal buigen,
    door Hem gevoed, verrijkt met zegeningen.
    Wie God zoekt, looft Zijn Naam; zijn hart zal zingen,
    het leeft voorgoed!
  • 12.
    De volken, waar zij wonen, wereldwijd,
    gedenken al Uw macht en majesteit,
    die U getoond hebt vol barmhartigheid;
    U bent de Heere.
    De verste volken zullen zich bekeren;
    een ieder zal Uw grote Naam belijden,
    want U, de Koning, Vorst van elke heiden
    heerst overal.
  • 13.
    De rijken met veel macht uit ieder land -
    zij stromen naar Hemtoe van elke kant
    en leggen heel hun leven in Zijn hand,
    zij zullen knielen.
    De arme en de uitgeputte zielen,
    de dood nabij, verzwakt en zonder waarde,
    ook zij, ze komen, buigen en aanvaarden
    Zijn heerschappij.
  • 14.
    Al de geslachten die nog komen gaan,
    aanbidden God om wat Hij heeft gedaan.
    Steeds treedt een nieuwe generatie aan
    die blij zal melden
    wat ook het voorgeslacht aan haar vertelde:
    Zijn recht, Zijn macht, de trouw in al Zijn daden,
    want wat de Heere deed, is uit genade
    door Hem volbracht.

Berijming 1773

  • 1.
    Mijn God, mijn God, waarom verlaat Gij mij,
    En redt mij niet, terwijl ik zwoeg en strij',
    En brullend klaag in d' angsten die ik lij',
    Dus fel geslagen?
    't Zij ik, mijn God, bij dag moog' bitter klagen,
    Gij antwoordt niet; 't Zij ik des nachts moog' kermen.
    Ik heb geen rust, ook vind ik geen ontfermen
    In mijn verdriet.
  • 2.
    k Erken nochtans, Gij, Gij zijt heilig, Heer',
    En hebt Uw huis, den zetel Uwer eer,
    Bij Isrel, daar Uw lof klinkt keer op keer,
    In gunst doen bouwen.
    Op U stond vast der vaderen betrouwen;
    Gij zaagt hen aan;
    Gij hebt, wanneer z' in noden
    Tot U om hulp, vertrouwend, zijn gevloden
    Hen bijgestaan.
  • 3.
    U smeekten zij, van mensenhulp ontbloot,
    En zijn gered; zij hebben in hun nood
    Op U vertrouwd, van schaamte nimmer rood,
    Na hun gebeden.
    Maar ik, ik ben een worm, van elk vertreden;
    Een worm, geen man;
    Een spot en smaad van mensen,
    Dien 't boze volk, naar zijn baldadig wensen,
    Beschimpen kan.
  • 4.
    Al wie mij ziet, bespot mij, boos te moê;
    Men schudt het hoofd, men steekt de lip mij toe.
    Daar ik 't gebed tot God vertrouwend doe,
    Moet ik nog horen:
    "Dat God, op Wien hij steunt, hem gunstig' oren
    Verleen', hem redd';
    Dat die nu hulp doe komen,
    En hem, in wien Hij heeft Zijn lust genomen,
    In ruimte zett'".
  • 5.
    Gij immers, Heer', Gij zijt het, door Wiens macht
    Ik uit den buik weleer ben voortgebracht;
    Aan 's moeders borst vertrouwd' ik op Uw kracht
    Van ganser harte.
    Zij wierp mij reeds op U, in barenssmarte
    Gans onbevreesd;
    'k Mocht nauw'lijks 't licht aanschouwen,
    Of Gij, Gij zijt, o grond van mijn vertrouwen,
    Mijn God geweest.
  • 6.
    Wees dan mijn hulp; houd U niet ver van mij;
    Mij prangt de nood, benauwdheid is nabij;
    'k Heb buiten U, daar ik zo bitter lij',
    Geen hulp te wachten.
    Een stierenheir uit Bazan, sterk van krachten,
    En fel verwoed,
    Omringt m' aan alle zijden;
    Mijn God, hoe zwaar, hoe smart'lijk valt dit lijden
    Voor mijn gemoed!
  • 7.
    Zij rukken aan, met opgesperden mond,
    Gelijk een leeuw, al brullend in het rond.
    Ik vloei daarheen als waat'ren op den grond,
    Die zich verspreiden;
    Mijn beend'ren zijn in mij vaneen gescheiden.
    O doodlijk uur!
    Wat hitte doet mij branden!
    Mijn hart is week, en smelt in d' ingewanden,
    Als was voor 't vuur.
  • 8.
    Mijn kracht is, als een scherf, van sap beroofd,
    Mijn tong kleeft in mijn mond, door dorst gekloofd;
    Gij zult eerlang mij, door den dood, het hoofd
    In't stof doen bukken.
    Want van rondom zie 'k honden samenrukken;
    Een muitgespan
    Heeft mij ter prooi verkoren,
    Mijn handen en mijn voeten doen doorboren,
    Zo fel het kan.
  • 9.
    Mijn beend'ren kan ik tellen, één voor één.
    Hun boos gezicht beschouwt dit wel tevreên.
    Z' ontzien zich niet, om met mijn tegenheên
    Hun geest te strelen,
    En onder zich mijn kleed'ren te verdelen;
    Verhard in't kwaad,
    Kan hun geen spel verdrieten;
    Zij werpen 't lot, wat ieder zal genieten
    Van mijn gewaad.
  • 10.
    Maar Gij, o Heer', tot Wien mijn ziel zich keert,
    Sta niet van ver; mijn God, die 't al regeert,
    Ai, haast U toch ter hulp; ik word verteerd
    Door al d' ellenden.
    Red mijne ziel van't zwaard dier boze benden,
    Die schrikk'lijk woen;
    Ai, red haar uit hun handen,
    Daar z' eenzaam ducht 't geweld des honds, wiens tanden
    Haar sidd'ren doen.
  • 11.
    Verlos mij van den leeuw, die woedt en tiert;
    Verhoor mij, Heer', en red mij van 't gediert',
    Dat, sterk van hoorn, rondom mij henen zwiert;
    Mij staat naar't leven,
    Dan word Uw naam door mij met roem verheven;
    'k Zal Uwen lof
    Mijn broederen vertellen;
    'k Heb, in Uw huis bij al mijn metgezellen,
    Dan prijzensstof.
  • 12.
    Gij, die God vreest, gij allen prijst den Heer';
    Dat Jacobs zaad Zijn groten naam vereer';
    Ontzie Hem toch, o Israël, en leer
    Vertrouwend wachten.
    Wie mij veracht', God wou mij niet verachten,
    Noch oor noch oog
    Van mijn verdrukking wenden;
    Maar heeft verhoord, wanneer ik uit d' ellenden
    Riep naar omhoog.
  • 13.
    Ik loof eerlang U in een grote schaar,
    En, wat ik U beloofd' In't heetst gevaar,
    Betaal ik, op het heilig dankaltaar,
    Bij die U vrezen,
    't Zachtmoedig volk zal rijk verzadigd wezen,
    Ten dis geleid.
    Wie God zoekt, zal Hem prijzen.
    Zo leev' Uw hart, door 's hemels gunstbewijzen,
    In eeuwigheid!
  • 14.
    Eerlang gedenkt hieraan het wereldrond;
    Haast wendt het zich tot God met hart en mond;
    En, waar men ooit de wildste volken vond,
    Zal God ontvangen
    Aanbidding, eer en dankb're lofgezangen.
    Want Hij regeert,
    En zal Zijn almacht tonen;
    Hij heerst, zover de blindste heid'nen wonen,
    Tot Hem bekeerd.
  • 15.
    Wie vet is, eet, en knielt voor Isrels Heer';
    Wie 't stof bewoont, bukt mede voor Hem neer;
    En wie zijn ziel bij 't leven nu niet meer
    Heeft kunnen houden.
    Het vrome zaad van die op God betrouwden
    Zal, door Zijn kracht,
    Hem dienen, voor Hem leven;
    Het zal den Heer' eens worden aangeschreven,
    ln 't nageslacht.
  • 16.
    Zij komen aan, door Godd'lijk licht geleid,
    om 't nakroost, dat den Heer' wordt toebereid,
    te melden 't heil van Zijn gerechtigheid
    en grote daden.

Berijming 1773

  • 1.
    Mijn God, mijn God, waarom verlaat Gij mij,
    En redt mij niet, terwijl ik zwoeg en strij',
    En brullend klaag in d' angsten die ik lij',
    Dus fel geslagen?
    't Zij ik, mijn God, bij dag moog' bitter klagen,
    Gij antwoordt niet; 't Zij ik des nachts moog' kermen.
    Ik heb geen rust, ook vind ik geen ontfermen
    In mijn verdriet.
  • 2.
    k Erken nochtans, Gij, Gij zijt heilig, Heer',
    En hebt Uw huis, den zetel Uwer eer,
    Bij Isrel, daar Uw lof klinkt keer op keer,
    In gunst doen bouwen.
    Op U stond vast der vaderen betrouwen;
    Gij zaagt hen aan;
    Gij hebt, wanneer z' in noden
    Tot U om hulp, vertrouwend, zijn gevloden
    Hen bijgestaan.
  • 3.
    U smeekten zij, van mensenhulp ontbloot,
    En zijn gered; zij hebben in hun nood
    Op U vertrouwd, van schaamte nimmer rood,
    Na hun gebeden.
    Maar ik, ik ben een worm, van elk vertreden;
    Een worm, geen man;
    Een spot en smaad van mensen,
    Dien 't boze volk, naar zijn baldadig wensen,
    Beschimpen kan.
  • 4.
    Al wie mij ziet, bespot mij, boos te moê;
    Men schudt het hoofd, men steekt de lip mij toe.
    Daar ik 't gebed tot God vertrouwend doe,
    Moet ik nog horen:
    "Dat God, op Wien hij steunt, hem gunstig' oren
    Verleen', hem redd';
    Dat die nu hulp doe komen,
    En hem, in wien Hij heeft Zijn lust genomen,
    In ruimte zett'".
  • 5.
    Gij immers, Heer', Gij zijt het, door Wiens macht
    Ik uit den buik weleer ben voortgebracht;
    Aan 's moeders borst vertrouwd' ik op Uw kracht
    Van ganser harte.
    Zij wierp mij reeds op U, in barenssmarte
    Gans onbevreesd;
    'k Mocht nauw'lijks 't licht aanschouwen,
    Of Gij, Gij zijt, o grond van mijn vertrouwen,
    Mijn God geweest.
  • 6.
    Wees dan mijn hulp; houd U niet ver van mij;
    Mij prangt de nood, benauwdheid is nabij;
    'k Heb buiten U, daar ik zo bitter lij',
    Geen hulp te wachten.
    Een stierenheir uit Bazan, sterk van krachten,
    En fel verwoed,
    Omringt m' aan alle zijden;
    Mijn God, hoe zwaar, hoe smart'lijk valt dit lijden
    Voor mijn gemoed!
  • 7.
    Zij rukken aan, met opgesperden mond,
    Gelijk een leeuw, al brullend in het rond.
    Ik vloei daarheen als waat'ren op den grond,
    Die zich verspreiden;
    Mijn beend'ren zijn in mij vaneen gescheiden.
    O doodlijk uur!
    Wat hitte doet mij branden!
    Mijn hart is week, en smelt in d' ingewanden,
    Als was voor 't vuur.
  • 8.
    Mijn kracht is, als een scherf, van sap beroofd,
    Mijn tong kleeft in mijn mond, door dorst gekloofd;
    Gij zult eerlang mij, door den dood, het hoofd
    In't stof doen bukken.
    Want van rondom zie 'k honden samenrukken;
    Een muitgespan
    Heeft mij ter prooi verkoren,
    Mijn handen en mijn voeten doen doorboren,
    Zo fel het kan.
  • 9.
    Mijn beend'ren kan ik tellen, één voor één.
    Hun boos gezicht beschouwt dit wel tevreên.
    Z' ontzien zich niet, om met mijn tegenheên
    Hun geest te strelen,
    En onder zich mijn kleed'ren te verdelen;
    Verhard in't kwaad,
    Kan hun geen spel verdrieten;
    Zij werpen 't lot, wat ieder zal genieten
    Van mijn gewaad.
  • 10.
    Maar Gij, o Heer', tot Wien mijn ziel zich keert,
    Sta niet van ver; mijn God, die 't al regeert,
    Ai, haast U toch ter hulp; ik word verteerd
    Door al d' ellenden.
    Red mijne ziel van't zwaard dier boze benden,
    Die schrikk'lijk woen;
    Ai, red haar uit hun handen,
    Daar z' eenzaam ducht 't geweld des honds, wiens tanden
    Haar sidd'ren doen.
  • 11.
    Verlos mij van den leeuw, die woedt en tiert;
    Verhoor mij, Heer', en red mij van 't gediert',
    Dat, sterk van hoorn, rondom mij henen zwiert;
    Mij staat naar't leven,
    Dan word Uw naam door mij met roem verheven;
    'k Zal Uwen lof
    Mijn broederen vertellen;
    'k Heb, in Uw huis bij al mijn metgezellen,
    Dan prijzensstof.
  • 12.
    Gij, die God vreest, gij allen prijst den Heer';
    Dat Jacobs zaad Zijn groten naam vereer';
    Ontzie Hem toch, o Israël, en leer
    Vertrouwend wachten.
    Wie mij veracht', God wou mij niet verachten,
    Noch oor noch oog
    Van mijn verdrukking wenden;
    Maar heeft verhoord, wanneer ik uit d' ellenden
    Riep naar omhoog.
  • 13.
    Ik loof eerlang U in een grote schaar,
    En, wat ik U beloofd' In't heetst gevaar,
    Betaal ik, op het heilig dankaltaar,
    Bij die U vrezen,
    't Zachtmoedig volk zal rijk verzadigd wezen,
    Ten dis geleid.
    Wie God zoekt, zal Hem prijzen.
    Zo leev' Uw hart, door 's hemels gunstbewijzen,
    In eeuwigheid!
  • 14.
    Eerlang gedenkt hieraan het wereldrond;
    Haast wendt het zich tot God met hart en mond;
    En, waar men ooit de wildste volken vond,
    Zal God ontvangen
    Aanbidding, eer en dankb're lofgezangen.
    Want Hij regeert,
    En zal Zijn almacht tonen;
    Hij heerst, zover de blindste heid'nen wonen,
    Tot Hem bekeerd.
  • 15.
    Wie vet is, eet, en knielt voor Isrels Heer';
    Wie 't stof bewoont, bukt mede voor Hem neer;
    En wie zijn ziel bij 't leven nu niet meer
    Heeft kunnen houden.
    Het vrome zaad van die op God betrouwden
    Zal, door Zijn kracht,
    Hem dienen, voor Hem leven;
    Het zal den Heer' eens worden aangeschreven,
    ln 't nageslacht.
  • 16.
    Zij komen aan, door Godd'lijk licht geleid,
    om 't nakroost, dat den Heer' wordt toebereid,
    te melden 't heil van Zijn gerechtigheid
    en grote daden.

Psalm 22: 'Een gebed vol lijden en loven'

Psalm 22 schildert op schrille wijze het intense lijden dat David ondergaat. Wat gaat hij er diep door, wat wordt hem veel kwaad aangedaan. David gebruikt pakkende beelden om aan te geven hoe zijn vijanden hem te grazen nemen. Hij is bang dat hij het niet gaat redden. En dan komt ook in deze psalm die wonderlijke wending die in meer psalmen van David voorkomt. Opeens is daar een toon van vertrouwen en hoop (vanaf vers 23). Plotseling is daar de oproep om de Heere te loven. Opeens is daar een weids perspectief op het werk van God dat wereldwijd zal worden. Het heil zal ook buiten Israël beleefd en bewonderd worden. God gaat het allemaal doen. Hij staat in voor Zijn eigen werk!

Wat is deze psalm op een indrukwekkende wijze vervuld in het leven en het lijden van de Heere Jezus. Heel Zijn lijdensweg van Gethsémané tot aan Zijn sterven aan het kruis wordt in dit lied uitgetekend. Op Golgotha hoort Hij niet alleen Psalm 22 citeren door de hatelijke menigte beneden Hem, maar citeert Hij dit lied ook zelf. En zó mogen wij weten dat het tweede deel van de psalm ook vervuld zal worden, omdat Jezus alles volbracht. Hebben wij ons al tot de Heere bekeerd? Buigen wij al voor deze heerlijke Koning? Gods gerechtigheid wordt nog steeds verkondigd. Hij zorgt er Zelf voor dat die verkondiging vrucht zal dragen door Hem Die onze zonden droeg en wegdroeg.

Uitvoeringen Psalm 22

Psalm 22 - Zingen uit de Bron

Psalm 22 - Zingen uit de Bron

Thematische verdieping

Bijdragen

Laat een nieuwe generatie zingen

Met jouw financiële steun ontwikkelen we over een periode van meerdere jaren 150 psalmen in klassiek-eigentijdse taal en publiceren we geestelijke liederen waarin het Evangelie van Jezus Christus centraal staat.

Doneer