Beluister en zing mee

Psalm 51

Speel de melodie.

Psalm 51 - Ritmisch langzaam
Andere audio
Ritmisch
Iso-ritmisch
Audiobestanden en bladmuziek

Ondersteunende bestanden

Download ondersteunende audio en bladmuziek.

Psalm 51

  • Psalmvergelijker

    Vergelijk de Klassiek Eigentijdse Psalmberijming met andere berijmingen of met de onberijmde psalmen:

    Eerste vergelijking
    Tweede vergelijking (optie)

Voor het vergelijken van hele psalmen in verschillende berijmingen adviseren wij je om de desktopversie van onze website te gebruiken.

Klassiek Eigentijdse Psalmberijming(KEP)

Ga naar vers

Berijming 1773

Ga naar vers

Ga naar vers

Klassiek Eigentijdse Psalmberijming (KEP)

  • 1.
    O God, denk aan Uw goedertierenheid!
    Vergeef genadig al mijn overtreden.
    Wis uit mijn schuld, naar Uw barmhartigheden
    en was mij schoon van ongerechtigheid.
    Ik ken mijn zonde, waarmee ik U smaad,
    ik heb gedaan wat slecht is in Uw ogen.
    Uw zuiver recht veroordeelt al mijn kwaad,
    Uw vonnis is rechtvaardig afgewogen.
  • 2.
    Toen ik ontstond, is ook mijn schuld ontstaan,
    ik ben in ongerechtigheid geboren.
    Maar uit mijn hart wilt U de waarheid horen,
    daar leert U mij Uw wijsheid te verstaan.
    Reinig met hysop heel mijn vuile hart.
    Als U mij wast, mijn zonden gaat betalen,
    dan ben ik in Uw oog niet langer zwart,
    maar witter dan de sneeuw hier ooit zal stralen.
  • 3.
    Wis uit mijn schuld en ongerechtigheid.
    Laat mijn gebroken leven zich verheugen,
    geef mij Uw blijdschap en Uw diepe vreugde.
    Verberg Uw oog voor al mijn zondigheid.
    Schep mij een zuiver hart, op U gericht,
    vernieuw mijn geest, dat die toch vast zal blijven.
    Verwerp mij niet van voor Uw aangezicht,
    en laat Uw Geest, Die heilig is, mij leiden.
  • 4.
    Geef weer de vreugde die Uw heil mij geeft,
    leer om vrijmoedig steeds met U te leven.
    Ik zal de zondaar wijze lessen geven,
    zodat hij zich bekeert en voor U leeft.
    God van mijn heil, vergeef vergoten bloed,
    dan zal ik van Uw recht weer vrolijk zingen.
    Als U mijn lippen, Heere, opendoet,
    dan spreek ik van Uw lof en zegeningen.
  • 5.
    Zou ik met offers naar Uw altaar gaan,
    U schept daarin geen vreugde of behagen.
    Een hart, o God, verbrijzeld en verslagen,
    veracht U niet, neemt U genadig aan.
    Denk aan Uw stad, wees Sion goedgezind,
    herstel haar muur. Wij zullen offers brengen,
    volmaakt en goed, waarin U vreugde vindt.
    Het altaarvuur zal ze geheel verzengen.

Berijming 1773

  • 1.
    Genâ, o God, genâ, hoor mijn gebed;
    Verschoon mij toch naar Uw barmhartigheden;
    Delg uit mijn schuld, vergeef mijn overtreden:
    Uw goedheid wordt noch paal, noch perk gezet.
    Ai, was mij wel van ongerechtigheid;
    Mijn schuld is zwaar, ik heb Uw wet geschonden;
    Zie mijn berouw, hoor, hoe een boetling pleit,
    En reinig mij van al mijn vuile zonden.
  • 2.
    Want ik gevoel de grootheid van mijn kwaad;
    Mijn zonde zie 'k mij steeds voor ogen zweven.
    'k Heb tegen U, ja U alleen, misdreven;
    Uw wil en wet, hoe heilig, stout versmaad,
    Ik heb gedaan, wat kwaad was in Uw oog;
    Dies ben ik, Heer', Uw gramschap dubbel waardig,
    'k Erken mijn schuld, die U tot straf bewoog;
    Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.
  • 3.
    t Is niet alleen dit kwaad, dat roept om straf;
    Neen, 'k ben in ongerechtigheid geboren;
    Mijn zonde maakt mij 't voorwerp van Uw toren.
    Reeds van het uur van mijn ontvang'nis af.
    Zie, Gij hebt lust tot waarheid in 't gemoed;
    Gij, Heer', Die weet, al wat ik heb misdreven,
    Gij, die mijn geest met wijsheid hadt gevoed,
    En in mijn ziel Uw Godd'lijk licht gegeven.
  • 4.
    Ontzondig mij met hysop, en mijn ziel,
    Nu gans melaats, zal rein zijn en genezen.
    Was mij geheel, zo zal ik witter wezen
    Dan sneeuw, die vers op 't aardrijk nederviel.
    Ai, geef mij weer gewenste zielevreugd;
    Laat uit Uw mond mij stof tot blijdschap horen;
    Zo wordt opnieuw 't verbrijzeld hart verheugd,
    En in mijn geest de ware rust herboren.
  • 5.
    Verberg Uw oog van mijn bedreven kwaad,
    Waardoor mijn ziel gevoelt de diepste wonden;
    Delg, delg toch uit mijn schuld en al mijn zonden,
    En spreek mij vrij van mijne gruweldaad.
    Herschep mijn hart, en reinig Gij, o Heer',
    Die vuile bron van al mijn wanbedrijven;
    Vernieuw in mij een vasten geest, en leer
    Mij aan Uw dienst oprecht verbonden blijven.
  • 6.
    Verwerp mij van Uw aangezicht toch niet;
    Ai, laat van mij Uw Heil'gen Geest niet scheiden.
    Die kan alleen op 't rechte spoor mij leiden;
    Bestier mijn gang, daar Gij mijn zwakheid ziet.
    Geef mijn gemoed, dat nu angstvallig vreest,
    De blijdschap weer; doe op Uw heil mij hopen;
    Laat mij, gesterkt door enen eed'len geest,
    Volvaardig 't pad van Uw geboden lopen.
  • 7.
    Dan zal ik elk, die't heilspoor bijster is,
    Vrijmoedig al Uw rechte wegen leren;
    De zondaar zal zich dan tot U bekeren,
    En scheppen moed uit mijn behoudenis.
    O God, Gij God mijns heils, vergeef mijn schuld,
    Mijn bloedschuld toch, hoe billijk ook te doemen;
    Dan zal mijn mond, met zangstof weer vervuld,
    Uw heilig recht, gepaard met goedheid, roemen.
  • 8.
    Heer, open Gij mijn lippen door Uw kracht,
    Zo zal mijn mond Uw lof gestaag vermelden.
    Geen offer kan voor mijne zonden gelden;
    Behaagd' U dat, straks wierd het U geslacht.
    Indien Gij lust in brandend' off'ren hadt,
    Dan wierd het vuur door mij gewis ontstoken;
    Ik spaarde dan noch zorg, noch vlijt, noch schat,
    Maar zou 't altaar van offervee doen roken.
  • 9.
    Gods offers zijn een gans verbroken geest,
    Door schuldbesef getroffen en verslagen;
    Dit offer kan Uw heilig oog behagen;
    't Is nooit, o God, van U veracht geweest.
    Doe Sion wel, laat om mijn zwaren val
    Uw goedheid niet van zijne burg'ren wijken;
    Bouw Salem op, laat nooit zijn muur en wal,
    Door Uwe straf, voor 's vijands macht bezwijken.
  • 10.
    Dan vindt Gij in onz' offeranden lust,
    Waarmee wij U, naar't heilig recht, vereren;
    Dan zal 't altaar de varren gans verteren;
    Dan wordt het vuur daarop nooit uitgeblust.

Berijming 1773

  • 1.
    Genâ, o God, genâ, hoor mijn gebed;
    Verschoon mij toch naar Uw barmhartigheden;
    Delg uit mijn schuld, vergeef mijn overtreden:
    Uw goedheid wordt noch paal, noch perk gezet.
    Ai, was mij wel van ongerechtigheid;
    Mijn schuld is zwaar, ik heb Uw wet geschonden;
    Zie mijn berouw, hoor, hoe een boetling pleit,
    En reinig mij van al mijn vuile zonden.
  • 2.
    Want ik gevoel de grootheid van mijn kwaad;
    Mijn zonde zie 'k mij steeds voor ogen zweven.
    'k Heb tegen U, ja U alleen, misdreven;
    Uw wil en wet, hoe heilig, stout versmaad,
    Ik heb gedaan, wat kwaad was in Uw oog;
    Dies ben ik, Heer', Uw gramschap dubbel waardig,
    'k Erken mijn schuld, die U tot straf bewoog;
    Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.
  • 3.
    t Is niet alleen dit kwaad, dat roept om straf;
    Neen, 'k ben in ongerechtigheid geboren;
    Mijn zonde maakt mij 't voorwerp van Uw toren.
    Reeds van het uur van mijn ontvang'nis af.
    Zie, Gij hebt lust tot waarheid in 't gemoed;
    Gij, Heer', Die weet, al wat ik heb misdreven,
    Gij, die mijn geest met wijsheid hadt gevoed,
    En in mijn ziel Uw Godd'lijk licht gegeven.
  • 4.
    Ontzondig mij met hysop, en mijn ziel,
    Nu gans melaats, zal rein zijn en genezen.
    Was mij geheel, zo zal ik witter wezen
    Dan sneeuw, die vers op 't aardrijk nederviel.
    Ai, geef mij weer gewenste zielevreugd;
    Laat uit Uw mond mij stof tot blijdschap horen;
    Zo wordt opnieuw 't verbrijzeld hart verheugd,
    En in mijn geest de ware rust herboren.
  • 5.
    Verberg Uw oog van mijn bedreven kwaad,
    Waardoor mijn ziel gevoelt de diepste wonden;
    Delg, delg toch uit mijn schuld en al mijn zonden,
    En spreek mij vrij van mijne gruweldaad.
    Herschep mijn hart, en reinig Gij, o Heer',
    Die vuile bron van al mijn wanbedrijven;
    Vernieuw in mij een vasten geest, en leer
    Mij aan Uw dienst oprecht verbonden blijven.
  • 6.
    Verwerp mij van Uw aangezicht toch niet;
    Ai, laat van mij Uw Heil'gen Geest niet scheiden.
    Die kan alleen op 't rechte spoor mij leiden;
    Bestier mijn gang, daar Gij mijn zwakheid ziet.
    Geef mijn gemoed, dat nu angstvallig vreest,
    De blijdschap weer; doe op Uw heil mij hopen;
    Laat mij, gesterkt door enen eed'len geest,
    Volvaardig 't pad van Uw geboden lopen.
  • 7.
    Dan zal ik elk, die't heilspoor bijster is,
    Vrijmoedig al Uw rechte wegen leren;
    De zondaar zal zich dan tot U bekeren,
    En scheppen moed uit mijn behoudenis.
    O God, Gij God mijns heils, vergeef mijn schuld,
    Mijn bloedschuld toch, hoe billijk ook te doemen;
    Dan zal mijn mond, met zangstof weer vervuld,
    Uw heilig recht, gepaard met goedheid, roemen.
  • 8.
    Heer, open Gij mijn lippen door Uw kracht,
    Zo zal mijn mond Uw lof gestaag vermelden.
    Geen offer kan voor mijne zonden gelden;
    Behaagd' U dat, straks wierd het U geslacht.
    Indien Gij lust in brandend' off'ren hadt,
    Dan wierd het vuur door mij gewis ontstoken;
    Ik spaarde dan noch zorg, noch vlijt, noch schat,
    Maar zou 't altaar van offervee doen roken.
  • 9.
    Gods offers zijn een gans verbroken geest,
    Door schuldbesef getroffen en verslagen;
    Dit offer kan Uw heilig oog behagen;
    't Is nooit, o God, van U veracht geweest.
    Doe Sion wel, laat om mijn zwaren val
    Uw goedheid niet van zijne burg'ren wijken;
    Bouw Salem op, laat nooit zijn muur en wal,
    Door Uwe straf, voor 's vijands macht bezwijken.
  • 10.
    Dan vindt Gij in onz' offeranden lust,
    Waarmee wij U, naar't heilig recht, vereren;
    Dan zal 't altaar de varren gans verteren;
    Dan wordt het vuur daarop nooit uitgeblust.

Psalm 51: 'Een laaggestemd lied'

Er zijn vreselijke dingen in het leven van David gebeurd. Recent heeft hij overspel gepleegd met een vrouw en haar man laten vermoorden. Na deze verschrikkelijke daden zoekt David zijn God. Hij is zich bewust van het grote kwaad dat hij heeft bedreven en geeft er gevoelvolle woorden aan. Hij kan zich nergens meer op beroemen, alleen maar hopen dat God hem genadig zal zijn en Zijn Geest niet van hem zal wegnemen. Hij verlangt naar de tijd waarin hij de vreugde over Gods heil mocht ervaren. Hij wil Gods lof weer verkondigen. Al zal dat met een geknakte geest zijn, het zal tot zegen van Sion zijn.

Wij weten vanuit de Bijbel dat God het gebed van David in Psalm 51 heeft verhoord. Hij heeft vergeving van zijn zonden ontvangen en God heeft Zijn Geest niet van hem weggenomen. Tegelijk zien wij vanaf dit moment toch een zekere neergang in Davids leven. Laten we bemoedigd worden door de genade van God die Hij ook aan ons wil bewijzen. En tegelijk onszelf proberen te behoeden voor zonde, want zonde heeft altijd een beschadigend effect in ons leven. Laten wij met een rein hart in het leven mogen staan.

Uitvoeringen Psalm 51

Psalm 51 - Zingen uit de Bron

Psalm 51 - Zingen uit de Bron

Thematische verdieping

Bijdragen

Laat een nieuwe generatie zingen

Met jouw financiële steun ontwikkelen we over een periode van meerdere jaren 150 psalmen in klassiek-eigentijdse taal en publiceren we geestelijke liederen waarin het Evangelie van Jezus Christus centraal staat.

Doneer