Beluister en zing mee

Psalm 7

Speel de melodie.

Psalm 7 - Ritmisch langzaam
Andere audio
Ritmisch
Iso-ritmisch
Audiobestanden en bladmuziek

Ondersteunende bestanden

Download ondersteunende audio en bladmuziek.

Psalm 7

  • Psalmvergelijker

    Vergelijk de Klassiek Eigentijdse Psalmberijming met andere berijmingen of met de onberijmde psalmen:

    Eerste vergelijking
    Tweede vergelijking (optie)

Voor het vergelijken van hele psalmen in verschillende berijmingen adviseren wij je om de desktopversie van onze website te gebruiken.

Klassiek Eigentijdse Psalmberijming(KEP)

Ga naar vers

Berijming 1773

Ga naar vers

Ga naar vers

Klassiek Eigentijdse Psalmberijming (KEP)

  • 1.
    HEERE, mijn God, bescherm mijn leven.
    Ik schuil bij U, Die hulp kunt geven.
    O, red mij toch en maak mij vrij
    van mijn vervolgers, sta mij bij.
    Verlos mij, laat het niet gebeuren
    dat mij de vijand zal verscheuren
    zoals een leeuw zijn prooi verslindt,
    terwijl ik geen bevrijder vind.
  • 2.
    HEERE, mijn God, als aan mijn handen
    het onrecht kleeft, geweld of schande;
    als ik het kwade deed of sprak
    en zo een vredesband verbrak,
    dan mag de vijand mij vertrappen;
    ik zal niet aan de dood ontsnappen.
    Maar juist wie uit was op mijn bloed,
    die redde ik en deed ik goed.
  • 3.
    Sta op en laat Uw toorn ontsteken
    om al wat mij benauwt te breken.
    Kom, Heere, help mij en ontwaak!
    De rechtspraak is Uw eigen zaak.
    De volken, naar Uw troon gekomen,
    hebben rondom U plaatsgenomen.
    Daar oordeelt God en spreekt Hij recht.
    Zij allen horen wat Hij zegt.
  • 4.
    Bewijs mijn recht voor ieders ogen,
    mijn zuiverheid vanuit de hoge.
    Stop goddelozen in hun kwaad,
    steun wie oprecht Uw wegen gaat.
    U proeft de harten en de nieren,
    zo zal het recht eens zegevieren,
    o God, Die alle mensen kent
    en Zelf volmaakt rechtvaardig bent.
  • 5.
    God is mijn Schild, beschermt mijn leven.
    Hij zal oprechten vrijspraak geven.
    De Rechter toont Zijn hoog gezag,
    God toornt rechtvaardig, elke dag.
    Hij zal, als men Hem blijft verwerpen,
    Zijn dodelijke wapens scherpen.
    Hij spant Zijn boog en richt Zijn pijl.
    Voor Zijn vervolgers is geen heil.
  • 6.
    Bezie nu eens de goddeloze:
    hij loopt met weeën van het boze.
    Wie zwanger van het onheil gaat -
    hij baart de leugen, vroeg of laat.
    Hij smeedt zijn plan en blijft maar draven,
    een kuil heeft hij al uitgegraven.
    Dan stort hij in zijn eigen graf
    en krijgt zijn zelfbedachte straf.
  • 7.
    Ik loof met heel mijn hart de Heere,
    de Allerhoogste wil ik eren.
    God doet mij recht, Hij helpt in nood;
    ik maak Zijn Naam met psalmen groot!

Berijming 1773

  • 1.
    O Heer', mijn God, volzalig Wezen,
    'k Betrouw op U, wien zou ik vrezen?
    Red mij hulpvaardig uit den nood,
    Eer mij mijn vijand breng' ter dood;
    Geef mij ten roof niet in zijn handen,
    Die mij, met felle leeuwetanden,
    Verscheuren zou door wond op wond,
    Wanneer ik geen verlosser vond.
  • 2.
    Mijn God, zo 'k immer hebb' bedreven,
    Het boze stuk, mij aangewreven,
    't Onkreukbaar recht ooit hebb' gefnuikt,
    En een oneven schaal gebruikt,
    Of kwaad voor goed hebb' toegewogen;
    En mijnen vreêgenoot bedrogen;
    (Hem heb ik zelfs 't gevaar ontrukt,
    Die mij ten onrecht' had verdrukt;)
  • 3.
    Zo moet mijn vijand op de hielen
    Mij volgen, ja geheel vernielen;
    Hij roov' mijn leven en mijn eer,
    En werp' mijn kroon ter aarde neer.
    Sta op, o Heer', wil mij behoeden;
    Uw gramschap straff' mijns vijands woeden;
    Ontwaak voor mij, en keer 't geweld:
    't Gericht hebt Gij zelf ingesteld.
  • 4.
    Zo zullen zich gehele scharen
    Van volken om U heen vergâren
    Beklim dan, boven dit gewoel,
    Uw hemeltroon, Uw rechterstoel.
    De Heer' zal al de volken richten,
    En 't onrecht voor het recht doen zwichten:
    Geef dan, o Heer', dat voor elks oog
    Mijn recht en vroomheid blijken moog'.
  • 5.
    Laat toch het kwaad der goddelozen
    Een einde nemen, straf de bozen;
    Maar sterk Uw volk, dat hulp behoeft,
    Gij, die elks hart en nieren proeft.
    Laat vrij voor U mijn vijand vrezen,
    Voor U, rechtvaardig Opperwezen;
    Bij U, mijn Bondgod, is mijn schild,
    Die 't vroom gemoed behouden wilt.
  • 6.
    God, die op 't recht Zijn troon wil stichten,
    God is rechtvaardig in Zijn richten.
    En toont Zijn gramschap dag aan dag.
    Bestrijdt de mens Zijn hoog gezag;
    Blijft hij zich tegen Hem verzetten,
    God zal Zijn glinst'rend wraakzwaard wetten;
    Hij kromt en spant alreê Zijn boog;
    En dreigt met pijlen van omhoog.
  • 7.
    God heeft de waap'nen aangegrepen,
    Tot 's vijands wissen dood geslepen;
    Hij legt de pijlen op hem aan;
    Wie hittig woedt, zal niet bestaan.
    De boze wringt en kromt de leden,
    ln arbeid van onzinnigheden;
    Hij gaat van dwaze moeite zwaar;
    Verwacht dan, dat hij leugen baar'.
  • 8.
    Hij heeft een diepen kuil doen delven,
    Maar 't was, bij d' uitkomst, voor zichzelven.
    Schoon hij, met zoveel loos beleid,
    Dien had tot mijn verderf bereid;
    De moeite, die hij dorst verwekken,
    Zal zijnen kop eerlang bedekken.
    En zijnen schedel al 't geweld,
    Waarmeê hij and'ren had gekweld.
  • 9.
    Ik zal het eeuwig Wezen prijzen,
    Zijn recht de schuldig' eer bewijzen,
    En zingen 's Allerhoogsten lof,
    Met psalmen, tot in 't hemelhof.

Berijming 1773

  • 1.
    O Heer', mijn God, volzalig Wezen,
    'k Betrouw op U, wien zou ik vrezen?
    Red mij hulpvaardig uit den nood,
    Eer mij mijn vijand breng' ter dood;
    Geef mij ten roof niet in zijn handen,
    Die mij, met felle leeuwetanden,
    Verscheuren zou door wond op wond,
    Wanneer ik geen verlosser vond.
  • 2.
    Mijn God, zo 'k immer hebb' bedreven,
    Het boze stuk, mij aangewreven,
    't Onkreukbaar recht ooit hebb' gefnuikt,
    En een oneven schaal gebruikt,
    Of kwaad voor goed hebb' toegewogen;
    En mijnen vreêgenoot bedrogen;
    (Hem heb ik zelfs 't gevaar ontrukt,
    Die mij ten onrecht' had verdrukt;)
  • 3.
    Zo moet mijn vijand op de hielen
    Mij volgen, ja geheel vernielen;
    Hij roov' mijn leven en mijn eer,
    En werp' mijn kroon ter aarde neer.
    Sta op, o Heer', wil mij behoeden;
    Uw gramschap straff' mijns vijands woeden;
    Ontwaak voor mij, en keer 't geweld:
    't Gericht hebt Gij zelf ingesteld.
  • 4.
    Zo zullen zich gehele scharen
    Van volken om U heen vergâren
    Beklim dan, boven dit gewoel,
    Uw hemeltroon, Uw rechterstoel.
    De Heer' zal al de volken richten,
    En 't onrecht voor het recht doen zwichten:
    Geef dan, o Heer', dat voor elks oog
    Mijn recht en vroomheid blijken moog'.
  • 5.
    Laat toch het kwaad der goddelozen
    Een einde nemen, straf de bozen;
    Maar sterk Uw volk, dat hulp behoeft,
    Gij, die elks hart en nieren proeft.
    Laat vrij voor U mijn vijand vrezen,
    Voor U, rechtvaardig Opperwezen;
    Bij U, mijn Bondgod, is mijn schild,
    Die 't vroom gemoed behouden wilt.
  • 6.
    God, die op 't recht Zijn troon wil stichten,
    God is rechtvaardig in Zijn richten.
    En toont Zijn gramschap dag aan dag.
    Bestrijdt de mens Zijn hoog gezag;
    Blijft hij zich tegen Hem verzetten,
    God zal Zijn glinst'rend wraakzwaard wetten;
    Hij kromt en spant alreê Zijn boog;
    En dreigt met pijlen van omhoog.
  • 7.
    God heeft de waap'nen aangegrepen,
    Tot 's vijands wissen dood geslepen;
    Hij legt de pijlen op hem aan;
    Wie hittig woedt, zal niet bestaan.
    De boze wringt en kromt de leden,
    ln arbeid van onzinnigheden;
    Hij gaat van dwaze moeite zwaar;
    Verwacht dan, dat hij leugen baar'.
  • 8.
    Hij heeft een diepen kuil doen delven,
    Maar 't was, bij d' uitkomst, voor zichzelven.
    Schoon hij, met zoveel loos beleid,
    Dien had tot mijn verderf bereid;
    De moeite, die hij dorst verwekken,
    Zal zijnen kop eerlang bedekken.
    En zijnen schedel al 't geweld,
    Waarmeê hij and'ren had gekweld.
  • 9.
    Ik zal het eeuwig Wezen prijzen,
    Zijn recht de schuldig' eer bewijzen,
    En zingen 's Allerhoogsten lof,
    Met psalmen, tot in 't hemelhof.

Psalm 7: 'God zet dingen recht'

Ook in Psalm 7 klaagt David zijn nood aan de Heere. Je zou denken dat hij het alleen maar moeilijk heeft gehad in zijn leven. Het is maar hoe je het bekijkt. In zijn nood heeft David steeds bij de Heere geschuild en als je dat doet heb je het toch goed. In die geborgenheid mag je je nood voor de Heere neerleggen. David zegt eerlijk wat hem overkomt en dat hij in deze situatie recht voor God staat. Als dat niet zo is, mag hij door zijn vijanden te gronde gericht worden.

Wat geeft David hoog van God op in zijn lied. God verlost en beschermt de oprechten van hart en Hij zal de vijanden van Zijn volk weten te vinden en te straffen. Die vijanden kunnen van alles denken te zijn en te doen, maar ze eindigen in hun door henzelf gegraven graf. Wat zal het dan stil worden. En dan zal David beginnen te zingen. Van het wonder dat God Zijn beloften vervult en Zijn toezeggingen nakomt. Fijn als je dan psalmen kunt maken. Dan kun je met je eigen woorden God grootmaken!

Uitvoeringen Psalm 7

Psalm 7 - Zingen uit de Bron

Psalm 7 - Zingen uit de Bron

Thematische verdieping

Bijdragen

Laat een nieuwe generatie zingen

Met jouw financiële steun ontwikkelen we over een periode van meerdere jaren 150 psalmen in klassiek-eigentijdse taal en publiceren we geestelijke liederen waarin het Evangelie van Jezus Christus centraal staat.

Doneer